De POH; de kurk waarop de praktijk drijft?

De eerstelijnszorg verandert sneller dan zijn schaduw. Slechts enkele jaren geleden heeft HuisartsenService al eens een volledig magazine in het teken van de POH gezet en toen was de praktijkondersteuner aan een flinke opmars bezig. Inmiddels is deze niet meer weg te denken, maar hoe lang kunnen zij nog de kurk zijn waar de topzware eerstelijnszorg op drijft? 

Het is natuurlijk niet zo dat de praktijkondersteuner er van de ene op de andere dag was

Het is natuurlijk niet zo dat de praktijkondersteuner er van de ene op de andere dag was. Maar de groei van – en de vraag naar – nieuwe praktijkondersteuners is de afgelopen jaren wel in een stroomversnelling gekomen. De geschiedenis van de POH zoals we die nu kennen gaat terug tot de jaren negentig. Ook toen al spraken huisartsen over een (te) hoge druk op de praktijk en de wens werd uitgesproken om de kwaliteit van de eerstelijnszorg op een manier te behouden of verbeteren die tot dat moment nog niet ontwikkeld was. Naast assistentes en (wijk)verpleegkundigen bleek er behoefte aan meer kwalitatief hoger opgeleide ondersteuning. Er werden rondom de chronische zorg van diabetes type 2 patiënten pilots opgezet met soortgelijk personeel om die patiënten te begeleiden. Met succes. Dit leidde rond de eeuwwisseling tot een convenant tussen het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV), met als doelstelling de kwaliteit van de zorg voor chronisch zieken te verbeteren, de werkdruk op de huisarts te verminderen en de samenwerking tussen meerdere huisartsenpraktijken te bevorderen. Vanaf dat punt kwam de term Praktijk Ondersteuner Huisartsenzorg (POH) in zwang en ontstonden er POH-opleidingen op hbo-niveau. 

MEER RUIMTE

De POH-somatiek kan worden gezien als ‘de eerste golf ’ praktijkondersteuners. De tweede groep die een enorme vlucht heeft genomen is de POH-ggz, waarvoor er sinds 1 april 2017 geen doorverwijzing van de huisarts meer nodig is als de patiënt wordt overgedragen van de generalistische basis ggz naar de gespecialiseerde ggz en vice versa. Waar met name de POH somatiek van origine werd ingezet om de zorgbegeleiding van heel specifieke patiëntengroepen (diabetes, astma/ COPD en hart- en vaatziekten) op zich te nemen en de huisarts hierin te ontlasten, is er veel veranderd. Door de relatief snelle ontwikkelingen binnen enerzijds de (levensstijl van de) patiëntpopulatie en anderzijds de eerstelijnszorg (marktwerking, zorgstandaarden, ketenzorg), is het vak praktijkondersteuner ook aan een zacht gezegd enerverende dynamiek onderhevig. Het maakt dat ‘de praktijkondersteuner’ anno 2019 geen vastomlijnd beroep is en de werkzaamheden volkomen afhankelijk zijn van de zorginstelling, de regio waarin deze zich bevindt, de praktijksamenstelling of zelfs de competentieniveaus van de werkzame praktijkondersteuners. Sinds de regels voor praktijkondersteuners enkele jaren terug zijn aangepast, hebben huisartsen en zorgverzekeraars meer ruimte gekregen om praktijkondersteuning binnen huisartsenpraktijken vorm te geven. De opkomst van – en genoemde nog immer grote vraag naar – praktijkondersteuners is de huisartsenpraktijk rechtstreeks te linken aan de nog immer groeiende groep patiënten die chronische zorg behoeft, het aantal patiënten met psychische klachten dat in de eerstelijnszorg terecht is gekomen en alle andere zorgtakken (ouderenzorg, jeugdzorg) waar de POH verantwoordelijk voor is geworden. 

MEER INZICHT

Heel kort door de bocht kan worden gesteld dat de praktijkondersteuner inmiddels de partij is, die binnen de eerstelijnszorg een heel groot deel van het persoonlijke patiëntencontact heeft overgenomen van de huisarts. Binnen de ketenzorg is de praktijkondersteuner de spil geworden waar alles om draait. Nu veel zorgverleners met hun zorggroep inmiddels de standaard ketenzorgprogramma’s zowel financieel als organisatorisch op de rit hebben, kan de praktijkondersteuner door de ketenzorgafspraken een groot deel van de zorg zelfstandig uitvoeren. Diverse onderzoeken hebben inmiddels aangetoond dat de oorspronkelijke doelen waarmee de eerste praktijkondersteuners begin deze eeuw werden geïntroduceerd (kosten- en werk- drukvermindering bij huisartsen) niet zijn behaald. De komst van de praktijkondersteuner heeft niet direct geleid tot een vermindering van de subjectieve werkdruk van de huisarts en de kosten zijn ook niet drastisch geslonken. Patiënten zijn doorgaans wel tevreden en krijgen via de praktijkondersteuner meer inzicht in hun gezondheidssituatie dan via de huisarts. Het hangt echter van de kwaliteit van de POH af hoe verstrekkend de resultaten zijn. Elders in dit magazine leest u bijvoorbeeld over de manier waarop dit bij Huisartsenpraktijk Ootmarsum werkt. “Juist door de manier waarop ze worden gezien en geholpen worden, krijgen patiënten meer inzicht in hun gezondheidssituatie dan dat ze via de reguliere huisarts zouden krijgen”, zo stelt men daar. “Uiteindelijk kan dat leiden tot een verhoogde therapietrouw. Het maakt dat praktijkondersteuners en -verpleegkundigen die de zorg van chronische patiënten monitoren, verbeterde gezondheidsresultaten kunnen behalen ten opzichte van de huisarts en een grote preventieve rol hebben gekregen.” 

VERANDERENDE DYNAMIEK

Enkele jaren terugschreven we in HuisartsenService dat een heikel punt de kwaliteit van de praktijkondersteuner was, in combinatie met de multidisciplinaire inzetbaarheid die in veel gevallen wordt verwacht. Dit komt omdat door de toenemende vergrijzing de zorg van steeds meer chronische patiënten die óók psychische klachten hebben in de eerstelijn terecht komt. Het is dan de keus aan de huisarts of deze hier twee POH’s op wil zetten (een voor de chronische aandoeningen, de ander voor het GGZ-deel) of dat er een allrounder voor wordt gezocht. Daarbij werden ook het verschil in medische achtergrond genoemd tussen een verpleegkundige die zich doorontwikkelt tot praktijkondersteuner (en later wellicht POH GGZ) en een doktersassistente die zich doorontwikkelt tot dezelfde functie. Juist op dat punt zijn heel grote stappen gemaakt. Elders in deze editie van het magazine is een artikel te lezen over Breederode Hogeschool, dat de POH-opleidingen naar een hoger plan heeft getrokken door nauw aan te sluiten op de veranderende dynamiek binnen de eerstelijnszorg. “Onze opleidingen zijn gebaseerd op waar het werkveld behoefte aan heeft en sluiten aan op het meest actuele competentieprofiel praktijk- ondersteuner huisartsenzorg, zoals opgesteld door alle betrokken beroepsverenigingen. Wij volgen de ontwikkelingen dus, maar staan ook met beide benen in het werkveld doordat onze docenten rechtstreeks daarvandaan komen.” Onderwijl is ook de Nederlandse Vereniging van Praktijkondersteuners (NVvPO) druk bezig de praktijkondersteuner in zijn/haar kracht te zetten. “De POH’s zijn meer dan alleen een zorgverlener. Ze zijn bijvoorbeeld ook communicator, een reflectieve professional en een samenwerkingspartner.” 

BELANGRIJKE SAMENWERKINGSPARTNER

Dat laatste is essentieel. De praktijkondersteuner heeft zich de afgelopen jaren steeds steviger in de eerstelijnszorg genesteld en wie landelijk kijkt, ziet dat de beste zorgresultaten worden behaald als praktijkondersteuners intensief samenwerken met de andere eerstelijnszorgverleners in hun praktijk, maar ook intensief samenwerken met de patiënt. Doordat ze intensiever met een patiënt kunnen communiceren, ontstaat er een band die door de huisarts minder makkelijk is op te bouwen, maar die voor het goed uitoefenen van zijn taken wel essentiële informatie oplevert. De NVvPO heeft het elders in dit magazine over ‘de vraag achter de vraag vinden’. Het maakt de praktijkondersteuner een spil. Zeker binnen de ouderenzorg, zo bleek uit vorig jaar gepubliceerde resultaten uit onlinefocusgroepen met praktijkondersteuners en een vragen- lijstonderzoek onder praktijkondersteuners die deelnemen aan het NIVEL Panel Verpleging & Verzorging. “Praktijkondersteuners kunnen zorgbehoeften vroeg op het spoor komen als de huisartsenpraktijk de eerste is die daar signalen over ontvangt. Vanuit de huisartsenpraktijk kunnen zij kwetsbare patiënten monitoren, vaak in samenwerking met de wijkverpleging. De conclusie is dan ook dat de POH’s een belangrijke samenwerkingspartner zijn voor de wijkverpleging en andere zorgverleners, welzijnsorganisaties, sociale wijkteams en gemeenten.”

ZORG OP DE JUISTE PLEK

Uit datzelfde onderzoek kwamen ook wat plussen en minnen naar voren. Men stelt dat goede samenwerking extra inspanningen vereist en dat POH’s die aan het onderzoek deelnamen ondanks de juiste competenties om samen te werken met professionals buiten de huisartsenpraktijk, knelpunten zagen in niet uitgesproken verantwoordelijkheden en daardoor ontstane onduidelijkheden op dit vlak, de onduidelijkheid over wie vanuit een organisatie een aanspreekpunt is, de tijdsinvestering die samenwerking vraagt en de verschillen in financieringsregels. Als succesfactoren voor goede samenwerking worden korte lijnen, goed multidisciplinair overleg en sterke andere netwerkbijeenkomsten en een gezamenlijk patiëntendossier. Een succes dus, de praktijkondersteuner. Ware het niet dat de eerstelijnszorg zo belast wordt en de uitstroom zo rap gaat, dat we inmiddels weer terug bij de start zijn en er manieren moeten worden gevonden om alles te ontlasten. Zoals men in de jaren ’90 ook op zoek ging en de praktijkondersteuner ontstond. In het Breederode Hogeschool-artikel meldt men dat een bottleneck zit in het vinden van geschikte stage- of werkleerplekken voor (toekomstige) praktijkondersteuners. Ook uit een begin dit jaar door zorgminister Bruno Bruins verstuurd onderzoek aan de Tweede Kamer blijkt dat de nood hoog is en met name in de regio’s Zeeland, Achterhoek, Drenthe, Drechtsteden en Noord-Holland Noord zal deze nood de komende tien jaar naar verwachting sterk stijgen. Een groeiende zorgvraag, mede door de vergrijzing en een achterblijvend aanbod - door een relatief hoge uitstroom van huisartsen die richting pensioen gaan, in combinatie met een relatief lage instroom van jonge huisartsen - zijn de belangrijkste oorzaken van deze ontwikkeling. Minister Bruins: “De ervaren regeldruk en personeelstekorten in de zorg worden aangepakt. Maar er moet echt een tandje bij om de huisartsenzorg goed en toegankelijk te houden voor de toekomst. Daar biedt het onderzoek mogelijke oplossingen voor waar ik snel over in gesprek wil.” De bewindsman gaat dit jaar met de Landelijke Huisartsen Vereniging bespreken hoe dit probleem op te lossen. Uit Bruins’ reactie op het vorig jaar gesloten hoofdlijnenakkoord blijkt al dat hiervoor ook de komende jaren weer een beroep op de POH wordt gedaan. “Het gaat er om voor de patiënt de beste oplossing te vinden. Daarbij past niet altijd een medisch (specialistisch) antwoord. Als het nodig is, kies je voor hoog specialistische zorg, de andere keer is iemand beter geholpen bij de huisarts of de fysiotherapeut. Maar soms ook met begeleiding naar een gezondere leefstijl of naar andere vormen van hulp. Zorg op de juiste plek, door de juiste behandelaar voor die persoon.”